|
fabel, legende, sprookjes, verhalen, Veluwe
6/25/2026 0 Comments De Dikke Kikker van het ParadijsFoto: Evert-Jan Hamer Ik ben een dikke kikker.
Niet zomaar een beetje rond, maar aangenaam weldoorvoed, met een buik die zacht rust op het warme blad van een waterlelie wanneer de middagzon hoog boven de vijver staat. Sommigen zouden zeggen dat ik te veel eet. Dat is onzin. Een kikker die in een paradijs woont, zou dwaas zijn als hij niet genoot van de overvloed die hem wordt geschonken. Onze vijver ligt verscholen tussen rietkragen en lisdodden. Het water is helder, de modder zacht, en de oevers zijn rijk aan schuilplaatsen. Mijn familie woont hier al zolang ik mij kan herinneren. Mijn vrouw, die een uitstekende jager is ondanks haar elegante voorkomen, en onze talloze nakomelingen, die ooit als glinsterende klompjes kikkerdril tussen de waterplanten dreven, delen dit domein met mij. Het is een goed leven. Toch ben ik mij voortdurend bewust van het gevaar. Dat klinkt misschien vreemd voor een bewoner van een paradijs. Maar een kikker die het gevaar vergeet, wordt vroeg of laat voer voor iemand anders. Zo zijn wij kikkers nu eenmaal gevormd door de wereld. Onze ogen zitten hoog op ons hoofd zodat wij kunnen kijken terwijl ons lichaam verborgen blijft onder het wateroppervlak. Onze huid voelt de kleinste veranderingen in vocht en temperatuur. Zelfs wanneer ik rust, slaap ik nooit helemaal. Er blijft altijd een deel van mij luisteren naar trillingen in het water en bewegingen in het riet. Een kikker leeft tussen waakzaamheid en tevredenheid. Maar eerlijk gezegd: in onze vijver valt er weinig te vrezen. Er zijn geen reigers die hier jagen. Geen snoeken die vanuit de diepte omhoog schieten. Geen slangen die langs de oever glijden. Alleen de seizoenen veranderen, zoals zij altijd hebben gedaan. In de lente vullen wij de nachten met gezang. Dan verzamelen de mannetjes zich tussen het riet en laten hun kwaakzakken opzwellen als kleine glanzende manen. Het koor stijgt op uit het water en zweeft over de tuinen en de velden. Duizenden tonen die samen één grote stem vormen. Ik zing natuurlijk ook mee. Niet zo luid als vroeger misschien, maar met meer diepgang. Mijn vrouw beweert dat zij juist daarom voor mij gevallen is. Op zulke avonden lijkt de vijver zelf te ademen. Overdag liggen wij op de bladeren van de waterlelies. Wij warmen onze lichamen op in de zon, want wij zijn koudbloedige dieren. De warmte van de dag wordt onze warmte. Soms zitten wij urenlang stil, alsof wij deel zijn geworden van het landschap. Maar stilzitten betekent niet dat wij niets doen. Onze ogen volgen vliegen, muggen en libellen. En wanneer een prooi dichtbij genoeg komt, schiet onze kleverige tong naar voren met een snelheid die zelfs mij soms verbaast. Een fractie van een seconde later is de vlieg verdwenen. Een uitstekend systeem. Toch is er iets dat nog beter smaakt. Meelwormen. De mensen die bij de vijver wonen begrijpen dat. Af en toe verschijnen zij aan de oever met een handvol lekkernijen. Dan regent het meelwormen op het water en ontstaat er een opgewonden geroezemoes onder de bewoners van de vijver. Mijn vrouw verliest dan al haar waardigheid. "Daar!" roept ze. Alsof ik ze niet zelf heb gezien. Samen eten wij tot onze buiken rond zijn als rijpe pruimen. Daarna zoeken wij een zonnig blad op en genieten van de middag. Die mensen zijn goede buren. Zij kijken naar ons zonder ons te verstoren. Soms blijven zij lang staan luisteren naar ons gezang wanneer de avond valt. Daarnaast is er nog de kat. Een opmerkelijk dier. Met regelmaat verschijnt zij aan de rand van de vijver. Een grote rood-witte kat met rustige ogen. Zij zit daar urenlang en kijkt naar ons. Sommige jonge kikkers vertrouwen haar niet. "Ze is een roofdier," fluisteren ze. Maar ik heb haar jarenlang bestudeerd. Nooit heeft zij een kikker aangeraakt. Nooit heeft zij een poot naar ons uitgestoken. Zij zit slechts te kijken. Volgens mij is zij jaloers. Waarop precies? Op onze gezelligheid natuurlijk. Want gezelligheid is een kunst die wij kikkers tot in de perfectie beheersen. Wij delen dezelfde zon, hetzelfde water en hetzelfde koor. Wij zingen samen. Wij rusten samen. Wij vieren de warme dagen samen. De kat kijkt naar ons zoals een reiziger naar een verlicht huis kijkt tijdens een stormachtige nacht. Met verlangen. Soms knik ik vriendelijk naar haar. Dan knippert zij langzaam met haar ogen. Een beleefd dier. Wanneer de avond over de vijver valt en de eerste sterren verschijnen, hoor ik overal om mij heen het zachte geplons van familieleden die hun plek voor de nacht zoeken. Het water weerspiegelt de maan. Insecten dansen boven het oppervlak. Rietstengels bewegen in de wind als fluisterende wachters. Dan denk ik aan alles wat een kikker zich kan wensen. Veilig water. Een goede familie. Een volle buik. Een vrouw die net zoveel van meelwormen houdt als ik. Plus de kat die elke avond komt kijken naar wat zij nooit helemaal zal begrijpen. Misschien is dat wel de ware betekenis van een paradijs: niet dat er geen gevaar bestaat, maar dat je ondanks alle gevaren een plek hebt gevonden waar het leven goed is. Terwijl ik mijn ogen half sluit op mijn favoriete waterlelieblad, luisterend naar het zachte gekwaak van mijn familie, weet ik één ding heel zeker: Ik ben een buitengewoon gelukkige, dikke kikker. verhalen vanuit het hart over de Veluwe
0 Comments
Leave a Reply. |
AuthorMijn naam is Jacqueline Postma, ik vertel graag verhalen, verhalen met een boodschap, een moraal. Archives
Juni 2026
|

RSS-feed