|
fabel, legende, sprookjes, verhalen, Veluwe
Foto: Evert-Jan Hamer Ik ben Charlotte. Tenminste, zo noemen de andere reeën mij. Waarom precies weet ik niet meer. Reeën geven elkaar geen namen zoals mensen dat doen. Maar op een dag noemde een oude bok mij Charlotte, en sindsdien ben ik Charlotte. Ik woon in de bossen rond Dennenhorst, ergens op de Veluwe, waar de dennen zingen in de wind en het zonlicht als gouden stof tussen de stammen zweeft. Ik ben een verlegen reegeit. Niet bang, nee. Verlegen. Dat is iets anders. Ik houd ervan om mij ongezien te verplaatsen in het bos en om me heen te kijken. Dit is misschien wel de reden dat ik meer van mensen weet, dan dat mensen van ons weten. De tweevoeters komen het bos binnen met hun wandelschoenen, verrekijkers en rugzakken. Ze hopen een ree te zien. Soms zoeken ze urenlang. Terwijl deze bosbezoekers naar ons speuren, hebben wij hen al lang in het oog. Vaak sta ik tussen jonge dennen, beuken of berken verscholen. Mijn vacht heeft dezelfde kleur als de stammen van de bomen, ze lopen voorbij zonder mij op te merken. Ik zie hun gezichten. Hun ogen. Hun haast. De manier waarop ze lopen. Sommige mensen bewegen licht en rustig, alsof ze onderdeel van het bos zijn geworden. Anderen stappen door zonder echt om zich heen te kijken. Hun blik lijkt ergens anders te zijn, ver voorbij de bomen en de paden waarop ze lopen.
Ik weet niet waar mensen aan denken. Dat kan zelfs een ree niet zien. Maar soms voel ik dat hun aandacht ver weg is. Alsof een deel van hen nog ergens anders rondzwerft, terwijl hun voeten hen over de bospaden dragen. Een raadsel blijft waarom mensen zo trouw de paden volgen. Het hele bos ligt voor hen open. Hier groeien zachte blaadjes die smaken naar lente. Daar staan jonge scheuten die glanzen van het ochtendlicht. Ik zie ook nooit een wandelaar zijn hoofd naar een struik buigen om ervan te proeven. Alsof ze vergeten zijn dat bladeren ook verhalen vertellen. Wat mij opvalt is dat mensen veel praten, zoveel praten, de woorden dwarrelen tussen de bomen als bladeren. Ze vertellen elkaar van gisteren en van morgen, van wat nog moet gebeuren en van wat al voorbij is. Wij reeën begrijpen daar niet zoveel van. In ons bos bestaat alleen dit moment. De geur van natte aarde. Het zachte bewegen van een varen. Het zingen van een roodborstje ergens tussen de stammen. Een voorbij huppelende haas Misschien is dat waarom wij zo vaak stil zijn. In stilte hoor je meer. Niet alleen de geluiden van het bos, maar ook de rust die ertussen woont. Soms kijken we naar wandelaars en vragen we ons af of zij die rust nog kunnen vinden. Of ze nog voelen hoe prettig het is om gewoon hier te zijn, zonder ergens anders heen te hoeven met hun gedachten. We zien het maar zelden. Af en toe loopt er iemand voorbij die vertraagt. Die stilstaat zonder een foto te maken. Die luistert naar de wind alsof die iets belangrijks vertelt. Op zulke momenten lijkt het alsof een mens even doet wat reeën altijd doen. Gewoon aanwezig zijn. Hier. En nu. Dan lopen wij tussen de struiken terwijl zij over het pad gaan. Soms wel een kilometer lang. Wij kennen hun gewoontes. Hun favoriete routes. Hun vaste rustbankjes. Wij zien wie verdrietig is. Wie verliefd is. Wie droomt. Wie alleen loopt omdat hij even stilte nodig heeft. Mensen denken vaak dat zij naar de natuur kijken. Maar de natuur kijkt ook terug. Dat vergeten ze. Vooral op regenachtige dagen. Ach, de regen. Mijn hart wordt altijd blij van regen. Wanneer donkere wolken over Dennenhorst schuiven en de eerste druppels vallen, lijkt het bos een diepe ademhaling te nemen. Dan komt de geur. De geur van nat zand. Van mos. Van bladeren. Van wortels die diep onder de aarde slapen. De geur van leven. Ik drink dan uit de bladeren. Heldere druppels verzamelen zich aan de punten van jonge takken. Eén lik en ik proef de hemel. De jonge reeën springen door plassen. Hun hoeven spatten kleine sterren van water omhoog. Soms dansen we. Gewoon omdat regen vraagt om dansen. Maar mensen lijken regen anders te zien. Juist wanneer het bos het mooist ruikt, blijven veel van hen weg. En als ze toch komen, dragen ze hoge laarzen en trekken ze hun capuchons diep over hun hoofd. Soms zo diep dat alleen hun neus nog zichtbaar is. Dan lopen ze haastig verder. Alsof ze willen ontsnappen aan iets waar wij juist van houden. Vanmorgen zag ik weer zo'n wandelaar. De regen valt zacht. Niet hard. Precies genoeg om de wereld te laten glanzen. Ik sta onder een beuk en kijk. De man loopt voorbij. Zijn hoofd gebogen. Zijn capuchon ver naar voren. Hij ziet de merel niet die zingend op een tak zit. Hij ziet de spinnenwebben niet die vol parels hangen. Hij ziet de druppels niet die als kristallen aan de heide schitteren. Hij ziet mij ook niet. Terwijl ik hem al lang zie. Wanneer hij verdwenen is, stap ik uit de schaduw. Een regendruppel glijdt van een blad en landt op mijn neus. Ik kijk omhoog. Door het bladerdak zie ik een stukje grijze lucht. De wind fluistert tussen de bomen. Ver weg roept een buizerd. En ik denk wat ik zo vaak denk wanneer ik naar mensen kijk. Wat jammer toch. Ze komen hier om het bos te vinden. Terwijl het bos al die tijd op hen wacht. Misschien kijken ze ooit beter. Misschien lopen ze ooit langzamer. Misschien ruiken ze dan de regen. Misschien drinken ze met hun ogen van het licht dat over de bladeren stroomt. Tot die tijd blijf ik Charlotte. De verlegen reegeit van Dennenhorst. Verborgen tussen de varens. Kijkend naar de mensen. Nieuwsgierig naar die wonderlijke tijdelijke bezoekers van het pad, die zo graag een ree willen zien, terwijl zij zelf misschien wel het interessantste dier van het hele bos zijn. verhalen vanuit het hart over de Veluwe
1 Comment
Pieter Paulusma
6/11/2026 15:56:36
Je gaat nu anders het bos in, mooi!
Reply
Leave a Reply. |
AuthorMijn naam is Jacqueline Postma, ik vertel graag verhalen, verhalen met een boodschap, een moraal. Archives
Juni 2026
|

RSS-feed