|
7/28/2025 2 Comments Het hart van de hertenkoninginfoto: Anouscka Lageweg- Oosterveer Er was eens, diep verborgen in het fluisterende woud op de Veluwe, een open plek waar het gras altijd zilverachtig glansde onder het maanlicht. Op deze plek, waar mensen nooit kwamen en de lucht trilde van oude magie, leefden de hoeders van het gewei. Hun leider werd niet gekozen door kracht alleen, maar door het hart van de Hertenkoningin. In de late zomer, wanneer de groene bladeren steeds donkerder worden, de temperatuur afneemt en de sterren het licht scherper laten vallen, begint de "Tijdsparing" een magisch getij waarin het woud beslist en het lot van het hertenrijk zich vormt. Twee edelherten, machtig en fier, zijn beide gevallen voor de Hertenkoningin Elira. Elira is niet zomaar een hinde, haar vacht glinstert als dauw op ochtendsneeuw en haar ogen weerspiegelen het bos alsof het in haar ogen leeft. Haar naam Elira weerspiegelt haar karakter, elegant en zacht. Het eerste hert heet Thalan, een hert met een gewei als kronen van de oude bomen, kalm als het meer in de vroege ochtend. Hert nummer twee, Aroen genaamd, is wild als de wind en snel als schaduw tussen bladeren, zijn gewei als vurige takken in de herfststorm. Op een mistige avond verschijnen zij beide op de Zilveren Weide, waar Elira hen opwacht bij de eeuwenoude Wilg der Wijsheid. Ze spreekt geen woord. In haar blik ligt de keuze, maar niet vóór de strijd. Het fluisterende woud eist een duel, niet van geweld, maar van inzicht. Alleen wie de liefde kan ontleden tot haar stilste waarheid, en haar naam vindt in wat onuitgesproken blijft, zal het hart van Elira hart verdienen. Thalan trekt zich terug in het Oerbos, waar het licht zich verstopt tussen mos en schors, en de tijd inademt van bomen. Op deze plek legt hij zijn trots neer bij de wortelkluwen van een oude eik, en zwijgt. Niet om te luisteren met zijn oren, maar met zijn wezen. De bomen spreken, niet in woorden, maar in groeiringen en hars. En wat zij vertellen, kan alleen verstaan worden door wie niets hoeft te bezitten. Zo leert Thalan dat liefde geen jacht is, maar een thuiskomen in de stilte van een ander. Aroen rent met de storm als metgezellin, springt over zingende beekjes en glijdt als een schaduw langs de maanverlichte velden. Hij zoekt raad bij de uilen, die wijsheid in de stilte bewaren, bij de raven, die de geheimen van het lot kennen, en bij het vuurlicht van de vossen, die dansen op de grens tussen wereld en wonder. Zij fluisteren hem toe dat ware liefde niet overwonnen wordt, maar begrepen en dat moed niet schuilt in het gewei, maar in het hart dat durft los te laten. Zeven nachten had Thalan gezwegen onder oude takken, en zeven keer had hij geluisterd naar wat niet gezegd werd. Zeven nachten had Aroen de grenzen van het woud doorbroken, en zeven keer had hij het vuur in zichzelf losgelaten. Zeven nachten had de wind hun namen gedragen, door valleien en over met mos bedekte stenen. Zeven keer had de maan hen gewogen, niet op kracht, maar op waarheid. Zeven keer had de wind hun namen geroepen, niet om te roemen, maar om te herinneren. Zeven keer had het woud hun voetstappen gevolgd, niet om te oordelen, maar om te verstaan. Zeven keer had het vuur hun harten beproefd, niet op drift, maar op diepte. Zeven keer had de stilte hun zielen gespiegeld, niet in echo, maar in essentie. Zeven keer hadden de sterren naar hen geknipoogd, niet als lichtpunt, maar als getuige. Zeven keer had de aarde hun gewicht gedragen, niet om hen te meten, maar om hen te kennen. foto: foto: Anouscka Lageweg- Oosterveer Op de ochtend van de achtste dag staat Elira al te wachten bij de Wilg der Wijsheid. Haar ogen zijn zo helder als dauw, haar houding stil als de zee vóór de storm. Ze kijkt hen aan, de één als schaduw van stilte, de ander als echo van vuur. Zacht als nevel, sterk als wortels, buigt zij langzaam haar hoofd. Thalan spreekt: 'Jij bent Elira, zij de luistert naar de wortels van het woud.' Aroen spreekt: :'Jij bent Elira, zij bij wie de wind stilvalt.' Elira glimlacht. “Jullie luisteren. Jullie begrijpen. Jullie zijn elk gegroeid, zoals bomen groeien: verschillend, maar met dezelfde wortels. Mijn hart kiest niet tussen strijders. Het kiest wie met het bos spreekt en zwijgt.” Ze loopt naar Thalan, legde haar snuit zachtjes tegen zijn hals. Aroen knikt, en zonder wroeging keert hij terug naar de diepten van het woud, waar de wind hem verder draagt. Zo wordt Thalan de Hertenkoning, niet omdat hij strijdt, maar omdat hij verstilt. Niet omdat hij wint, maar omdat hij begrijpt. Hij kent de taal van wortels, het gewicht van stilte, en de kracht van het niet-bezitten. Sindsdien vertellen de dieren van het Fluisterwoud het verhaal van de Zeven Nachten: Zeven keer gewogen, Zeven keer gezwegen, Zeven keer geluisterd naar wat leeft onder blad en bast. Zij fluisteren dat ware liefde zich niet laat bevechten, maar zich laat vinden: - in een hart dat durft te wachten, - in moed die los durft te laten, - in de stilte waarin waarheid ademt. Zo herinnert het bos, met elke vallende bladschaduw en elke opkomende maan, dat wie werkelijk liefheeft, niet neemt , maar geeft en ontvangt.
2 Comments
7/27/2025 2 Comments Waar de pauwen wit blijvenFotot: Karin Knap-Meijer. Wie de bossen van de Veluwe intrekt en afdaalt naar de oude lanen van Landgoed Staverden, hoort soms geen enkel geluid. Behalve misschien het ritselen van vleugels, als sneeuw die door bomen glijdt. Bij het witte kasteel, ook wel De Witte Pauwenburcht genoemd, leven pauwen die anders zijn dan waar ook ter wereld: wit als de eerste vorst, met veren die licht vangen als de maan op water. De witte pauwen leven hier al eeuwen. Het landgoed draagt sinds 1298 stadsrechten en werd ooit door graaf Reinoud I met grootse plannen gesticht. Zijn droom was een stad, een hof vol pracht te maken, maar hij keert onverwacht zijn plannen de rug toe. Misschien fluistert het woud hem iets toe. Wat overblijft is geen stad, maar iets veel zeldzamers: een plek die buiten de tijd lijkt te bestaan. In 1524 geeft Karel van Gelre het hof als leengoed weg, met één vreemde voorwaarde: de jaarlijkse levering van witte pauwenveren door kasteel Staverden. Sindsdien zijn de sierlijke mistvogels niet meer weg te denken van het landgoed. Maar de witte pauwen zijn niet vanzelf op het landgoed gekomen. Lang daarvoor, zo gaat het verhaal, leefde op het landgoed een jonge edelvrouw: Eleonora van Gelre. Ze was een dochter van adel, maar haar hart paste niet bij het hof. Haar hart klopte voor het bos èn voor sterrenlicht. Eén ridder stal bovendien haar hart, maar hij vertrok naar het oosten, naar de oorlog, en keerde nooit meer terug. Eleonora’s verdriet groeide als klimop om haar hart. Elke avond wandelde ze door de tuin, sprak met de vogels, zong voor de bomen. Totdat… ze op een avond een witte pauw zag. Eén die nooit eerder op het landgoed was verschenen. Hij keek haar aan met ogen vol herkenning, alsof hij iets wist dat geen mens kan uitspreken. Een koude rilling trok langs Eleonora's ruggengraat. “Waarom ben jij wit?” fluisterde ze. De pauw boog zijn kop, langzaam, plechtig, alsof hij een laatste groet bracht. Iets in zijn blik, een glimp van ondeugd, van tederheid, herinnerde haar plotseling aan hém… aan haar verdwenen ridder. Alsof hij met één laatste kwinkslag was teruggekeerd, niet om te blijven, maar om haar op te halen. De volgende ochtend troffen ze Eleonora onder de lindeboom aan, vredig. Alsof ze eindelijk rust had. De pauw stond bij haar, stil als een hoeder van haar ziel. Sindsdien, zo fluistert men nog altijd, verlaten de witte pauwen het mooie terrein nooit meer. Sommigen zeggen dat de pauwen Eleonora’s ziel dragen. Anderen geloven dat ze zielhouders zijn van wat ooit was. Wat zeker is: wie verdriet kent, herkent hun blik. En wie het hart vol geluk draagt, ziet in hun veren een glans die verder reikt dan woorden of het aardse bestaan. Tot op de dag van vandaag overhandigen de bewoners van kasteel Staverden elk jaar een bundel witte veren aan de Gelderse commissaris van de Koning (of Koningin), een eeuwenoud ritueel, een stil eerbetoon en knipoog naar wat ooit was. Reinoud, de huidige trotse pauw van het landgoed, laat zijn veren glinsteren als een kroon en spreekt met waardigheid: “Wij dragen het licht in stilte. Onze veren bewaren herinnering. Onze trots groeit uit wat niet wordt gezegd.” Zijn neef Karel, minder hoogdravend, zegt: “We zijn gewoon pauwen. Maar blijkbaar betekent dat iets bijzonders voor mensen. Wij zijn niet veranderd, zij zijn anders gaan kijken.” Leonora, een gracieuze pauwin die haar naam niet toevallig draagt, glimlacht zacht: “Het is niet de kleur die ons bijzonder maakt. Het is wat mensen in ons herkennen. Verdriet. Schoonheid. Hoop. Liefde.” Wie op Staverden wandelt, doet er goed aan stil te zijn. Niet om iets te vinden, maar om gevonden te worden. Want de sneeuwwitte vogels kiezen zélf wie ze benaderen. Soms verschijnt er één, schrijdend over het pad als een droom; op andere dagen blijft het bos leeg en stil. Wie geluk heeft, ziet ineens die witte glans bewegen tussen de stammen, een pauw, statig en stil, als voortgekomen uit een oud verhaal. En wie op dat moment wordt aangekeken, voelt het meteen: dit is meer dan zomaar een dier. Het is alsof Eleonora zelf even terugkeert, in blik of gebaar. Alsof haar verdriet, haar liefde en haar rust voortleven in veren die fluisteren zonder stem, een herinnering die je raakt, ook nu nog in deze tijd. foto: Karin Knap-Meijer
7/26/2025 0 Comments Brengt de hop hoop?foto: Paul Klein Op een zwoele voorjaarsavond, het gras ruikt fris en de zon glijdt als honing over de heuvels, landt Jacob op een open plek aan de rand van het bos, ergens op de Veluwe. Hij vouwt zijn vleugels met plechtige rust, alsof hij al eeuwen onderweg is. Met ogen die meer zien dan kleur en licht. Jacob kijkt om zich heen. Jacob is geen gewone vogel. Hij is een hop, maar niet zomaar één. Zijn kuif draagt de kleur van het vuur van de zonsondergang, en zijn snavel buigt als een oude wijsheid. Wat deze hop werkelijk bijzonder maakt, is zijn taak: Jacob is een Voorvlieger, een verkenner van het Avifaunaal Verbond der Trekkers. Eens in de zoveel jaar stuurt het Verbond iemand vanuit het zuiden, uit het verre Afrika, om te oordelen of het land hier nog waardig is om in te broeden. Jacob, de hop, stapt statig door het gras. “Te veel stikstof,” mompelt hij, terwijl hij zijn snavel diep in de aarde steekt. “De kevers zijn kleiner. De grond is moe.” Hij vliegt naar een dode eik, die nog dapper overeind staat. Vanaf daar overziet hij het landschap. Hier en daar wat heide, een vergeten poel, maar ook rechte lijnen van asfalt en flarden van machines in de verte. Uit het struikgewas verschijnt een das, met modder aan zijn poten. “Jacob?” vraagt hij verbaasd. “Ben jij het écht? Jullie komen bijna nooit meer.” Jacob knikt traag. “We komen alleen als het nodig is. En nu is het nodig. Er zijn tekenen van herstel. Oude akkers bloeien weer op, en in sommige bermen zoemen de kevers als vanouds. Maar het evenwicht is broos, we moeten zeker weten of het genoeg is.” De wind draait en brengt verhalen met zich mee: van plekken waar het weer ruikt naar tijm en wilde kamille, maar ook van gebieden waar het nog stil blijft, waar de grond zwijgt. Jacob spreidt zijn vleugels, die even glanzen als glas-in-lood in de avondzon. “Zeg de mensen,” zegt hij tegen de das, “dat de balans nog wankel is. Er is beweging, er is hoop , maar zij moeten kiezen: meebewegen, of weer verstillen.” De das kijkt op, nadenkend. “En als ze het laten gaan?” Jacob kijkt naar de hemel, waar al een paar sterren fonkelen. “Dan komt er geen zang meer in dit dal. Geen hop, geen dans. Alleen stilte.” Hij tikt driemaal met zijn snavel tegen de bast van de eik, een oud gebaar, een teken van oordeel. De Hop vliegt vervolgens op, de avond tegemoet. In zijn kielzog lijkt de lucht even te schitteren, alsof de natuur zelf zijn woorden gehoord heeft. Nog altijd fluisteren wandelaars op de Veluwe over een vurige schim die bij schemering zweeft boven de heide, net langs de toppen van de bomen. Wie even stil durft te staan, het rumoer van de dag laat vallen, hoort misschien een zachte, ritmische roep: “Oep-oep-oep...”, als een herinnering die de lucht zelf bewaart. Het is Jacob, de magische hop, die ons influistert wat er werkelijk toe doet: dat een land pas leeft als zijn vogels ervoor kiezen te blijven. Voor wie achtergrond informatie wil
Wie is de hop?
7/25/2025 2 Comments De wachter van het bos (deel 7) Thuis Wanneer Siem bij opa aankomt, is de schemering goud van belofte. De lucht draagt de geur van aarde, mos en iets ouds, iets dat thuiskomt. De deur staat op een kier. De haard brandt zacht. Opa staat al op hem te wachten, alsof tijd even heeft stilgestaan. "Je hebt het gevonden," zegt hij met een stem die gedragen wordt door ontroering. "Coillain," antwoordt Siem. Het woord vult de kamer als het ruisen van bladeren, oud, heilig, herkend. Een stilte valt, maar het is geen leegte. Het is een thuiskomst. Opa’s ogen glanzen. "Dat was de naam die ik verloor," fluistert hij. "En jij hebt haar teruggebracht. Niet alleen voor mij… maar voor het bos zelf." Ze gaan zitten bij het vuur. De bladeren van opa en Siem, raken elkaar nog één keer. Er is geen felle gloed meer. Alleen een zacht oplichten, zoals dauw op een blad in het eerste ochtendlicht. foto: Otto Jelsma Een diepe vrede daalt neer. Alsof het woud, nu het weer bij naam genoemd is, even stil en tevreden ademhaalt. Buiten, aan de rand van het veld, staat een ree. Het kijkt naar Siem. Zijn ogen zijn oud en ongrijpbaar als mist boven de heide. Dan draait hij zich om en verdwijnt tussen de bomen. Zonder geluid. Zonder spoor. Maar Siem voelt dat hij nooit echt weg zal zijn. Siemo was: gids, beschermer, herinnering, dat leeft nu in hem. In zijn liefde voor alles wat leeft. In zijn oren, die het fluisteren van het bos verstaan. In zijn handen, die de vorm van het blad kennen. Opa legt zijn hand op de zijne. Hun blikken kruisen elkaar en vinden rust. De stilte die volgt, is geen stilte van afscheid, maar van voltooiing -- fluistert het bos, zacht maar helder, zijn naam: Coillain. Foto: Otto Jelsma
7/24/2025 0 Comments De wachter van het bos (deel 6)foto's: Otto Jelsma De naam teruggevonden Sinds die nacht bij opa’s haard is het bos niet meer hetzelfde voor Siem. Hij hoort het. Echt. Niet alleen het ritselen van bladeren, maar ook de stemmen ertussenin. De fluisteringen van wortels, de zucht van stenen, de slapende verhalen in het mos. Toch geven ze de naam niet zomaar prijs. “De naam is geworteld in vergeten pijn,” zegt een Spiegelkind met ogen als berkenbast. “Wie haar zoekt, moet dalen.” En zo daalt Siem. Letterlijk en figuurlijk. Hij daalt af in de Verzonken Holleweg, waar wortels draaien als slangen en echo’s van verloren herinneringen weerklinken. Hij volgt sporen van dieren die er al lang niet meer zijn, reeën van rook, uilen van maanlicht. Hij spreekt met een oude das die in raadsels antwoordt. Siem leert van een windvlaag hoe klank en richting samen betekenis dragen. Hij droomt 's nachts van bomen die huilden toen de mensen hun naam vergaten. En Siem zwijgt. Lang. Want soms moet stilte eerst wortelschieten voordat iets ouds durft te spreken. De herfst kleurt het bos in vurige tinten wanneer Siem terugkeert naar de plek waar het allemaal begon. Hij is veranderd. Zijn stap is zekerder, zijn blik dieper. In zijn jaszak draagt hij het blad, nu glanzend en vol levenskracht. Naast hem loopt Siemo, zichtbaar, voelbaar, levend. Niet als vroeger, maar helderder dan ooit. Als een herinnering die vlees geworden is. In het hart van het bos wachten de Spiegelkinderen. Sommigen kent hij al: het meisje met de mosgroene ogen die fluistert in vogelzang, de jongen met de wind in zijn haar die altijd net buiten het zicht lijkt te dansen. Anderen zijn nieuw, maar tegelijkertijd toch al bekend, als dromen die hij als kind bijna had onthouden. De Spiegelkinderen staan in een kring rondom een oude, verweerde steen, bedekt met wortels en tijd. Siem stapt naar voren. Hij sluit zijn ogen. Hij luistert. Echt luistert. Naar het ruisen van de bladeren, het kraken van takken, het zachte zingen van de grond onder zijn voeten. En daar, heel stil, tussen alles in, hoort hij het. Niet met zijn oren, maar met iets diepers. Een naam. De naam van het bos. Hij fluistert het uit. "Coillain." Een golf van licht trekt door het woud. De bladeren lichten kort op, als ademende harten. De lucht ruikt plotseling naar lente, naar herinnering, naar thuiskomen. De oude steen in het midden pulseert zacht, en uit de wortels rijst iets op: een kleine boom, jong en fris, met zilveren randjes aan de bladeren. Herboren! De Spiegelkinderen zingen. Geen woorden, alleen klanken, warm, heilig, als een kabbelende beek. Siem glimlacht en verdwijnt langzaam weer tussen de bomen, niet uit verdriet, maar als iemand die zijn taak heeft volbracht. Siem voelt geen afscheid, alleen verbinding. ...wordt vervolgd.... oor wie achtergrond informatie wil.
Betekenis van de naam “Coillain” Herkomst: Coillain is afgeleid van het Oud-Ierse/Gaelische woord coill (spreek uit: kwil), wat bos of woud betekent. De toevoeging -ain geeft een verkleinende of liefdevolle vorm, vergelijkbaar met een verkleinvorm of een aanduiding van verbondenheid of oorsprong. Vertaling / betekenis:
Wanneer de naam vergeten raakt, verbleekt het woud. Niet fysiek, maar in betekenis. Dieren verdwijnen. Mensen vergeten en luisteren niet echt. Spiegelkinderen raken verspreid. Het vergeten van Coillain is het vergeten van het magische, intuïtieve, zorgende in de mens. 7/23/2025 1 Comment De wachter van het bos (deel 5)Opa weet meer Siem rent. Niet omdat hij bang is, maar omdat zijn hart overloopt. Hij móét het weten. Alles! Opa’s huis ligt stil in de schemering. De voordeur staat op een kier, alsof hij al verwacht wordt. Binnen brandt een klein vuurtje in de haard. Opa zit in zijn oude leunstoel, handen gevouwen, ogen gesloten. Siem staat hijgend in de deuropening. "Opa..." De oude man opent zijn ogen en glimlacht. "Je hebt ze gezien, hè?" Siem knikt, zijn stem flinterdun, alsof hij tegelijkertijd wil spreken en zwijgen. "De Spiegelkinderen... Ze... ze zijn echt. En ze zeiden dat ik moest kiezen. Dat ik moest luisteren. Wat bedoelen ze daarmee? Wie zijn zij?" Opa wenkt hem dichterbij. "Kom zitten, jongen." Als Siem neerploft op het bankje bij de haard, kijkt opa hem aan zoals hij altijd doet als hij iets belangrijks gaat vertellen, met ogen die verder kijken dan vandaag. "De Spiegelkinderen zijn zielen van het woud," begint hij. "Kinderen die, net als jij, het fluisteren hoorden. Niet iedereen hoort dat, Siem. Alleen zij die iets dragen wat groter is dan henzelf: verdriet, verlangen, verwondering… en daarnaast een open hart heeft." Opa pauzeert even. "Ze worden Spiegelkinderen genoemd omdat ze de wereld weerkaatsen zoals die werkelijk is, niet zoals mensen dénken dat hij is. Ze spiegelen wat vergeten is, in onszelf én in het woud. Soms zie je jezelf in hen… soms iets dat nog moet ontwaken." Siem houdt zijn adem in, luisterend. "Zijn ze gestorven?" fluistert hij. Opa schudt langzaam zijn hoofd. "Nee. Niet zoals jij denkt. Ze zijn niet dood, maar ook niet helemaal van deze wereld. Ze hebben ervoor gekozen tussen de werelden te leven. Wanneer ze diep in het hart van het bos zijn, worden ze langzaam Wachters, beschermers van het woud. Dat kunnen ze, omdat ze zuiver zien, en aanvoelen wat geheeld of hersteld moet worden." "Was jij vroeger ook een Spiegelkind, opa?" vraagt Siem zacht. De zilveren spiraal in zijn hand begint op dat moment zacht te tintelen. Opa kijkt naar het vuur. Alsof hij zoekt in oude herinneringen. "Ja," zegt opa uiteindelijk. Hij staat op, loopt naar een kast waarvan de deuren kraken als oude takken, en haalt er iets uit. Met beide handen houdt hij een blad vast: zilverwit, met dezelfde spiraal, maar doffer, veel doffer, alsof het zijn glans door de jaren heen heeft verloren. opa's blad het samengevoegde blad Siem's blad "Dit was ooit mijn blad," zegt opa.
"Toen ik mijn taak had volbracht en besloot terug te keren, begon het langzaam te verbleken. Niet omdat het minder waard werd, maar omdat mijn tijd als Wachter eindigde." Hij kijkt Siem aan. "Jouw blad, jongen… het leeft nog maar net. Lang geleden kende ik, als Wachter de paden, de tekens, de taal van de bomen en de dieren. Jouw tijd, als je ervoor kiest om Wachter te worden, gaat nog beginnen." Siems hoofd bonkt. "Maar wat moet ik doen?" zijn gedachten zijn plotseling ontsnapt in een fluistering. Opa legt een hand op zijn schouder. "Luisteren. Echt luisteren. Naar het bos. Naar jezelf. Naar de wereld, en ook tussen de werelden in, zoals de Wachters doen. De rest zal volgen." Dan overhandigt opa zijn blad aan Siem. Het oude blad raakt het nieuwe heel even aan. Op dat moment lichten beide bladeren met een flits lichtgroen op, vluchtig, maar even helder als de maan. Voor Siem voelt het als een bevestiging. Een zachte stroom trekt door zijn lijf heen, tintelend tot in zijn vingertoppen. Diep vanbinnen verschuift iets, zoals wortels die eindelijk weten waar ze thuis horen." "Wat is mijn taak dan?" vraagt Siem zacht, zonder direct een antwoord te verwachten. Opa glimlacht, maar zijn blik is ernstig. "Dat zal het woud je vertellen. Maar ik weet dit: er is iets verloren gegaan. Iets wat alleen door een kind met herinnering kan worden teruggevonden. Jij moet het vinden, vóór de winter komt." "Wat is het?" dringt Siem nogmaals aan. "De echte naam van het bos," fluistert opa. "Die is vergeten door de mensen." Als een naam vergeten wordt.. Begint dat wat de naam benoemt langzaam te verdwijnen. "Toen ik een Wachter was, hoorde ik slechts delen, net als de Spiegelkinderen van nu. Maar jij… jij moet het geheel hervinden. Jij kunt dat, ik voel het." Opa laat zijn blik op Siem rusten, vol stille trots. Siem knikt, niet omdat hij alles begrijpt, maar omdat hij voelt dat het klopt. Hij staat op, stopt het blad voorzichtig in zijn jaszak Hij kijkt zijn opa aan, langer dan gewoonlijk, alsof hij iets in zich opneemt dat hij nooit wil vergeten. "Ik ben er klaar voor," zegt Siem, met een stem die rustiger klinkt dan hij zich voelt, maar stevig als wortels in aarde. De haard knettert zachtjes. De wind zingt om het huis. Ergens, heel ver weg maar toch dichtbij, fluistert het bos de naam. Coil… lain… ...wordt vervolgd... 7/21/2025 0 Comments De wachter van het bos (deel 4) De Spiegelkinderen Siem stapt voorzichtig de boomholte binnen. Het zachte licht omhult hem als een warme deken. De kinderen in de kring blijven hem aankijken. Hun ogen: helder, spiegelend; lijken recht door Siem heen te kijken. Siemo, nog steeds ree, of toch half iets anders, knikt de jongen bemoedigend toe. "Deze kinderen," zegt Siemo zacht, "zijn Spiegelkinderen. Zij horen bij het woud, net als jij." Siem fronst, "Wat bedoel je?" Een meisje uit de kring, met glanzend zwart haar dat over haar schouders valt als een waterval, spreekt als eerst. Haar stem klinkt net zo mooi als het ruisen van bladeren: "Wij zijn de stemmen van het bos. Wij luisteren, wij herinneren. Ieder van ons hoorde ooit het fluisteren, net als jij." Een jongen voegt eraan toe: "Wij zijn niet verdwenen," zegt de jongen rustig. "Wij bewaken het bos. We zijn uitverkoren omdat we kunnen luisteren, écht luisteren. En daarom komen wij hier, steeds weer." Siem kijkt met verbijstering rond en vraagt geschokt, terwijl hij met zijn ogen de uitgang zoekt: "Zijn jullie... verdwaald? Of... verdwenen kinderen?" Siemo schudt geruststellend zijn kop. "Niet verdwenen. Niet verloren. Ze zijn wachters geworden, beschermers van het oude woud. En nu is het jouw beurt om te kiezen. Wat wil jij Siem?" De bladeren buiten de boom trillen zachtjes, alsof ze applaudisseren. "Wat moet ik doen?" vraagt Siem, onbedoeld hardop. Een ander kind reikt hem een blad aan. Het is zilverwit, met een spiraal erin." Luisteren. Kiezen. Herinneren," fluistert het kind. Dit blad heb ik eerder gezien denkt Siem, terwijl hij het blad aanpakt en stevig vasthoudt. Plots hoort Siem opnieuw het bos, maar nu niet als een stem, maar als een koor. Zijn naam weerklinkt in het geritsel, de geur van bosgrond stijgt op, opeens daalt het licht in de boomholte, het laat een schemering achter. Siem voelt het tot diep in zijn lijf, hij hoort thuis in het woud. Maar is Siem klaar om een Wachter te worden? Siem probeert de groep nogmaals rond te kijken, maar ziet niets meer door het betoverende halfduister. "Ik ga nu naar opa", meldt Siem en hij rent weg, de boom uit, zonder om te kijken, maar met het zilverkleurig blad vastberaden in zijn hand. ... Wordt vervolgd... Voor wie een stukje achtergrondinformatie wil: Hoe komen er gaten in bomen? Een boomholte, ook wel dendrotelme genoemd, is een gat in de stam of tak van een boom. Zo’n holte ontstaat meestal als de boom op een plek beschadigd raakt. Veel dieren vinden een dendrotelme een fijne plek om in te slapen, te schuilen of een nestje te maken. Het is eigenlijk een huisje voor dieren, gemaakt door de boom zelf! Soms verliest een boom vanzelf een onderste tak, bijvoorbeeld omdat die geen zonlicht meer krijgt. Op de plek waar de tak zat, blijft een wondje achter. Daar kan een gat ontstaan. Ook het weer helpt mee. Harde wind, regen, vorst, sneeuw, hitte of zelfs bliksem kunnen de boom beschadigen. Zo ontstaan er kleine wondjes in de bast. In die wondjes kruipen schimmels, bacteriën en kleine beestjes die hout eten. Zij maken het gat steeds groter. Daarna komen er dieren bij, zoals vogels of muizen, die het gat gebruiken om in te wonen of te schuilen. Zij graven het soms nog verder uit. Of zijn er nog meer mysterieuze manieren? Er zijn eigenlijk best veel manieren waarop een boomholte kan ontstaan! |
AuthorMijn naam is Jacqueline Postma, ik vertel graag verhalen, verhalen met een boodschap, een moraal. Archives
Juli 2025
|











RSS-feed