|
Foto: Evert- Jan Hamer Diep in het bos woont een nieuwsgierig wild zwijn. Overdag scharrelt hij tussen de bomen op zoek naar eikels, wortels en beukennootjes. 's Avonds wandelt hij graag naar een rustige vijver. Daar is het stil en hoor je alleen het ritselen van de bladeren en het gezang van de vogels.
Op een avond kijkt het zwijn in het heldere water. Tot zijn grote verrassing ziet hij een ander zwijn. "Hallo!" zegt hij vriendelijk. Het andere zwijn zegt niets terug, maar blijft hem rustig aankijken. "Wat fijn dat jij hier ook bent," glimlacht het zwijn. "Ik dacht dat ik vanavond alleen zou zijn." Het andere zwijn lijkt aandachtig te luisteren. Vanaf dat moment komt het zwijn iedere avond naar de vijver. Hij vertelt over zijn avonturen in het bos. Over de keer dat hij een grote stapel smakelijke eikels vindt. Over de regenbui waarbij hij helemaal onder de modder komt te zitten. Over de jonge biggetjes die vrolijk achter elkaar aanrennen. Zijn nieuwe vriend onderbreekt hem nooit. Hij lacht niet als het zwijn een dom foutje maakt. Hij wordt niet ongeduldig als een verhaal wat langer duurt. Hij luistert gewoon. Altijd. "Jij bent echt een goede vriend," zegt het zwijn op een avond. "Je kunt zo goed luisteren." En weer kijkt het andere zwijn hem vriendelijk aan. De weken gaan voorbij en het zwijn vertelt steeds meer verhalen. Hij vertelt over zijn dromen, over de mooie plekken in het bos en zelfs over de dingen waar hij soms een beetje bang voor is. Het voelt fijn om alles hardop te zeggen. Op een winderige dag blaast de wind over de vijver. Het water begint te golven en het andere zwijn danst ineens alle kanten op. "Wat doe je nu vreemd?" vraagt het zwijn verbaasd. Hij zet een stap opzij. Het andere zwijn doet precies hetzelfde. Hij draait zijn kop. Het andere zwijn draait ook. Dan buigt het zwijn zich voorzichtig voorover en ziet hij ineens wat er echt gebeurt. Hij kijkt niet naar een ander zwijn. Hij kijkt naar zichzelf. Even moet hij lachen. "Al die tijd ben jij mijn spiegelbeeld!" Eerst voelt hij zich een beetje gek. Hij praat al die tijd tegen zijn eigen weerspiegeling. Maar dan denkt hij nog eens na. Door al zijn verhalen hardop te vertellen, ontdekt hij wat hij belangrijk vindt. Hij leert naar zijn eigen gedachten te luisteren. Soms vindt hij tijdens het vertellen zelf de oplossing voor een probleem. En soms voelt een verdrietige dag ineens een stuk lichter, alleen omdat hij zijn verhaal uitspreekt. Het zwijn glimlacht naar zijn spiegelbeeld. "Misschien ben jij toch een goede vriend," zegt hij. "Niet omdat je terugpraat, maar omdat je me helpt naar mezelf te luisteren." Vanaf die dag blijft het zwijn af en toe naar de vijver gaan. Niet omdat hij denkt dat er een ander zwijn woont, maar omdat hij ontdekt dat een rustig moment soms genoeg is om zijn eigen gedachten beter te begrijpen. En telkens als hij in het heldere water kijkt, glimlacht zijn spiegelbeeld terug.
1 Comment
6/29/2026 2 Comments De Verborgen Koning van het BosFoto: Evert-Jan Hamer De koning houdt zich graag schuil. Niemand weet precies waar hij woont. Dat is ook precies de bedoeling. Hoog in een oude grove den, diep verscholen in de uitgestrekte bossen van de Veluwe, woont een oehoe die luistert naar de naam Otto. Tenminste, zo noemt hij zichzelf. Andere dieren hebben weer andere namen voor hem: De Schaduw. De Nachtkoning. Die Grote Met Die Ogen. Maar Otto vindt Otto meer dan genoeg. Hij houdt van stilte. Sterker nog, stilte is zijn grootste hobby. Terwijl andere dieren zich bezighouden met territoriumruzies, groepsvorming of de nieuwste bosroddels, zit Otto het liefst alleen op een stevige tak. Van daaruit kijkt hij uit over paarse heidevelden, golvende zandverstuivingen en de donkere bossen die zich tot aan de horizon uitstrekken. Hij kijkt. Hij luistert. En hij geniet. "Je zou wat vaker onder de dieren moeten komen," merkt een nieuwsgierige gaai op een dag op. Otto knippert langzaam met zijn grote oranje ogen. "Waarom?" De gaai opent zijn snavel, sluit hem weer en denkt na. Maar een goed antwoord vindt hij niet. Dus zwijgt hij. Otto zwijgt ook. Even later spreidt de oehoe zijn brede vleugels en glijdt geruisloos tussen de bomen door, alsof hij onderdeel is van de avond zelf. Hij doet graag zijn eigen uilending. Niet omdat hij onaardig is. Integendeel. Hij gunt iedereen een prettig leven. Maar wel op een respectvolle afstand. Dat leeft een stuk rustiger. De Veluwe is voor een oehoe een uitstekende woonplaats. Uitgestrekte bossen bieden overdag beschutting. Open heidevelden en graslanden krioelen van de prooidieren. En overal liggen stille plekken waar nauwelijks mensen komen. Dat laatste vindt Otto misschien nog wel het belangrijkst.
Een oehoe heeft ruimte nodig. Veel ruimte. Zijn territorium strekt zich uit over tientallen vierkante kilometers. Niet omdat hij alles wil bezitten, maar omdat hij graag weet dat er altijd voldoende voedsel te vinden is. En voedsel is er genoeg. Wanneer de avond valt en de laatste zonnestralen wegzakken achter de bomen, wordt Otto wakker. Niet abrupt. Eerst een geeuw. Dan een rustige vleugelstrekking. Hij schudt zijn veren recht en kijkt of de wereld nog op dezelfde plaats staat als de avond ervoor. Meestal is dat zo. Daarna begint zijn werk. Geruisloos glijdt hij tussen de bomen door. Zijn vleugels fluisteren nauwelijks tegen de lucht. Dat is een van de geheimen van zijn soort. De zachte franjes aan zijn veren breken de luchtstromen, waardoor hij bijna geluidloos vliegt. Een konijn hoort hem niet aankomen. Een rat evenmin. Ook muizen, kraaien, houtduiven en soms zelfs een egel kunnen verrast worden door zijn plotselinge verschijning uit het donker. Otto jaagt efficiënt. Niet wreed. Niet gemeen. Gewoon zoals een oehoe dat doet. De nacht is zijn domein en daarin vervult hij zijn rol. Toch is er één dier met wie hij een bijzondere verstandhouding heeft opgebouwd. Een oude vos die Bram heet. Vrienden zou Otto het nooit noemen. Dat vindt hij een veel te grote verplichting. Maar Bram verschijnt geregeld onder de boom waarin Otto overdag rust. "Nog nieuws?" vraagt de vos soms. "Nauwelijks." "Mooi." "Inderdaad." Daarna zwijgen ze een uur. Voor veel dieren zou dat een verschrikkelijk gesprek zijn. Voor Bram en Otto is het een uitstekende avond. De vos begrijpt iets wat maar weinig dieren begrijpen: stilte is ook een vorm van gezelschap. Soms wandelen mensen door het bos. Wandelaars. Fotografen. Natuurliefhebbers. Otto ziet ze allemaal. Hij vindt ze niet vervelend, zolang ze hem niet zien. Want dat is het mooie van verborgen leven. De meeste mensen hebben geen idee dat hoog boven hun hoofd een van Europa's grootste uilen zit toe te kijken. Dat houdt Otto graag zo. Hij hoort weleens verhalen over dieren die beroemd worden. Een wolf die op televisie verschijnt. Een vos die viraal gaat op internet. Een ooievaar met een webcam in zijn nest. Het lijkt Otto verschrikkelijk. Stel je voor dat iedereen voortdurend weet waar je zit. Hij krijgt er al vermoeide veren van. Nee, geef hem maar een vergeten hoekje van de Veluwe. Een oude boom die de seizoenen heeft zien komen en gaan. Een stille nacht vol sterren. Een konijn dat nietsvermoedend over een bospad huppelt. Dat is rijkdom. Op koude winternachten zit Otto op een hoge tak uit te kijken over een heide die glinstert van de rijp. De maan legt een zilveren gloed over het landschap. In de verte hoort hij Bram door het struikgewas ritselen. Verder niets. Geen auto's. Geen stemmen. Geen haast. Alleen de langzame ademhaling van het bos. Otto zet zijn veren iets op tegen de kou en kijkt tevreden om zich heen. Sommige dieren zoeken avontuur. Andere zoeken aandacht. Maar Otto heeft gevonden wat hij werkelijk nodig heeft. Ruimte. Rust. En de vrijheid om zijn eigen uilending te doen. Meer verlangt hij niet van het leven. Misschien is hij juist daarom wel de gelukkigste oehoe van de hele Veluwe. 6/26/2026 1 Comment De uitnodiging van mijnheer VosFoto: Heidi Hamer Op een warme zomerdag, wanneer de stenen in de straten gloeien en de huizen de hitte vasthouden, verschijnt er aan de rand van het dorp een vriendelijke vos. "Kom mee," zegt hij. "Ik nodig jullie uit om samen met mij het bos in te gaan." Nieuwsgierig volgen enkele mensen hem. Zodra ze onder de hoge bomen lopen, voelen ze hoe de lucht koeler wordt. Een zachte bries speelt tussen de bladeren en vogels zingen hun liederen. Het bos ademt rust. "Wat is het hier aangenaam," zegt een vrouw verbaasd. De vos knikt. "Dat is niet zo vreemd. In ons bos is het vaak wel twee tot vijf graden koeler dan in het dorp. Op de heetste dagen kan het verschil zelfs nog groter zijn. Terwijl stenen en asfalt de warmte vasthouden, geven bomen schaduw en verkoeling. Daarom voelen wij ons hier zo prettig." Even verderop klinkt vrolijk gestoei. Daar spelen de jongen van de vos. Ze zijn inmiddels pubers geworden en ravotten tussen de struiken, springen over boomwortels en rollen lachend door het gras. "Ze groeien snel," zegt de vos trots. "En ze hebben hier alle ruimte om jong te zijn." De mensen kijken glimlachend toe. Dan kijkt de vos richting het dorp en schudt zijn kop. "Wij begrijpen de mensen soms niet," zegt hij. "Jullie bouwen steeds meer huizen, wegen en pleinen. Steeds meer groen verdwijnt onder steen. Nu merken jullie dat het warmer wordt en vragen jullie je af waarom." De mensen luisteren aandachtig. "Wat wij al generaties lang weten," vervolgt de vos, "is dat natuur verkoeling geeft. Niet alleen aan dieren, maar ook aan mensen. Jullie ontdekken nu opnieuw wat eigenlijk altijd al waar is: mensen worden gelukkiger van bomen, vogels, bloemen en frisse lucht dan van een wereld die helemaal uit steen bestaat." Een oude vrouw knikt langzaam. "Misschien zijn we dat vergeten," zegt ze. De vos glimlacht vriendelijk. "Geluk groeit niet alleen in huizen. Het groeit ook in bossen, langs beekjes en onder de schaduw van oude bomen." Terwijl ze verder wandelen, voelen de mensen hun zorgen lichter worden. Ze luisteren naar het geritsel van de bladeren, ruiken de geur van mos en genieten van de rust die het bos hen geeft. De familie vos leeft hier gelukkig. Er is genoeg te eten, genoeg ruimte om te spelen en genoeg verkoeling op warme dagen. De jonge vossen stoeien verder alsof de wereld één groot avontuur is. Wanneer de mensen uiteindelijk terugkeren naar het dorp, nemen ze een belangrijke gedachte mee. De vos roept hen nog na: "Vergeet niet: wie alleen ruimte maakt voor stenen, krijgt warmte. Wie ook ruimte laat voor bomen en natuur, vindt verkoeling, leven en geluk." 6/25/2026 0 Comments De Dikke Kikker van het ParadijsFoto: Evert-Jan Hamer Ik ben een dikke kikker.
Niet zomaar een beetje rond, maar aangenaam weldoorvoed, met een buik die zacht rust op het warme blad van een waterlelie wanneer de middagzon hoog boven de vijver staat. Sommigen zouden zeggen dat ik te veel eet. Dat is onzin. Een kikker die in een paradijs woont, zou dwaas zijn als hij niet genoot van de overvloed die hem wordt geschonken. Onze vijver ligt verscholen tussen rietkragen en lisdodden. Het water is helder, de modder zacht, en de oevers zijn rijk aan schuilplaatsen. Mijn familie woont hier al zolang ik mij kan herinneren. Mijn vrouw, die een uitstekende jager is ondanks haar elegante voorkomen, en onze talloze nakomelingen, die ooit als glinsterende klompjes kikkerdril tussen de waterplanten dreven, delen dit domein met mij. Het is een goed leven. Toch ben ik mij voortdurend bewust van het gevaar. Dat klinkt misschien vreemd voor een bewoner van een paradijs. Maar een kikker die het gevaar vergeet, wordt vroeg of laat voer voor iemand anders. Zo zijn wij kikkers nu eenmaal gevormd door de wereld. Onze ogen zitten hoog op ons hoofd zodat wij kunnen kijken terwijl ons lichaam verborgen blijft onder het wateroppervlak. Onze huid voelt de kleinste veranderingen in vocht en temperatuur. Zelfs wanneer ik rust, slaap ik nooit helemaal. Er blijft altijd een deel van mij luisteren naar trillingen in het water en bewegingen in het riet. Een kikker leeft tussen waakzaamheid en tevredenheid. Maar eerlijk gezegd: in onze vijver valt er weinig te vrezen. Er zijn geen reigers die hier jagen. Geen snoeken die vanuit de diepte omhoog schieten. Geen slangen die langs de oever glijden. Alleen de seizoenen veranderen, zoals zij altijd hebben gedaan. In de lente vullen wij de nachten met gezang. Dan verzamelen de mannetjes zich tussen het riet en laten hun kwaakzakken opzwellen als kleine glanzende manen. Het koor stijgt op uit het water en zweeft over de tuinen en de velden. Duizenden tonen die samen één grote stem vormen. Ik zing natuurlijk ook mee. Niet zo luid als vroeger misschien, maar met meer diepgang. Mijn vrouw beweert dat zij juist daarom voor mij gevallen is. Op zulke avonden lijkt de vijver zelf te ademen. Overdag liggen wij op de bladeren van de waterlelies. Wij warmen onze lichamen op in de zon, want wij zijn koudbloedige dieren. De warmte van de dag wordt onze warmte. Soms zitten wij urenlang stil, alsof wij deel zijn geworden van het landschap. Maar stilzitten betekent niet dat wij niets doen. Onze ogen volgen vliegen, muggen en libellen. En wanneer een prooi dichtbij genoeg komt, schiet onze kleverige tong naar voren met een snelheid die zelfs mij soms verbaast. Een fractie van een seconde later is de vlieg verdwenen. Een uitstekend systeem. Toch is er iets dat nog beter smaakt. Meelwormen. De mensen die bij de vijver wonen begrijpen dat. Af en toe verschijnen zij aan de oever met een handvol lekkernijen. Dan regent het meelwormen op het water en ontstaat er een opgewonden geroezemoes onder de bewoners van de vijver. Mijn vrouw verliest dan al haar waardigheid. "Daar!" roept ze. Alsof ik ze niet zelf heb gezien. Samen eten wij tot onze buiken rond zijn als rijpe pruimen. Daarna zoeken wij een zonnig blad op en genieten van de middag. Die mensen zijn goede buren. Zij kijken naar ons zonder ons te verstoren. Soms blijven zij lang staan luisteren naar ons gezang wanneer de avond valt. Daarnaast is er nog de kat. Een opmerkelijk dier. Met regelmaat verschijnt zij aan de rand van de vijver. Een grote rood-witte kat met rustige ogen. Zij zit daar urenlang en kijkt naar ons. Sommige jonge kikkers vertrouwen haar niet. "Ze is een roofdier," fluisteren ze. Maar ik heb haar jarenlang bestudeerd. Nooit heeft zij een kikker aangeraakt. Nooit heeft zij een poot naar ons uitgestoken. Zij zit slechts te kijken. Volgens mij is zij jaloers. Waarop precies? Op onze gezelligheid natuurlijk. Want gezelligheid is een kunst die wij kikkers tot in de perfectie beheersen. Wij delen dezelfde zon, hetzelfde water en hetzelfde koor. Wij zingen samen. Wij rusten samen. Wij vieren de warme dagen samen. De kat kijkt naar ons zoals een reiziger naar een verlicht huis kijkt tijdens een stormachtige nacht. Met verlangen. Soms knik ik vriendelijk naar haar. Dan knippert zij langzaam met haar ogen. Een beleefd dier. Wanneer de avond over de vijver valt en de eerste sterren verschijnen, hoor ik overal om mij heen het zachte geplons van familieleden die hun plek voor de nacht zoeken. Het water weerspiegelt de maan. Insecten dansen boven het oppervlak. Rietstengels bewegen in de wind als fluisterende wachters. Dan denk ik aan alles wat een kikker zich kan wensen. Veilig water. Een goede familie. Een volle buik. Een vrouw die net zoveel van meelwormen houdt als ik. Plus de kat die elke avond komt kijken naar wat zij nooit helemaal zal begrijpen. Misschien is dat wel de ware betekenis van een paradijs: niet dat er geen gevaar bestaat, maar dat je ondanks alle gevaren een plek hebt gevonden waar het leven goed is. Terwijl ik mijn ogen half sluit op mijn favoriete waterlelieblad, luisterend naar het zachte gekwaak van mijn familie, weet ik één ding heel zeker: Ik ben een buitengewoon gelukkige, dikke kikker. Foto: Sylvia Klein Mijn naam is Bas. Ik ben een bosuil en woon al jaren hoog in een oude beuk aan de rand van het Veluwse bos. Vanuit mijn holte kijk ik uit over een landschap dat met de seizoenen mee ademt. Wanneer de ochtendmist tussen de stammen zweeft en de eerste zonnestralen door het bladerdak breken, lijkt het bos onveranderd: stil, groen en vol leven. Tenminste, zo lijkt het. Toen ik jong was, hoorde ik vooral het ruisen van bladeren in de wind, het zachte getrippel van reeën tussen de varens en het voorzichtige geschuifel van dassen die na een nacht zoeken terugkeren naar hun burcht. Af en toe verscheen een wandelaar op het pad. Een natuurliefhebber die vertraagt, kijkt en luistert. Iemand die begrijpt dat stilte ook een vorm van rijkdom is. Maar de laatste jaren verandert er iets. Steeds vaker word ik gewekt door geluiden die niet bij het bos lijken te horen. Eerst een zacht geratel in de verte. Dan het knarsen van banden over zand en wortels. Daarna stemmen. "Kom op, doortrappen!" "Pas op voor die bocht!" "Haha, bijna!" En dan verschijnen ze tussen de bomen. Groepen mountainbikers, soms met z'n tweeën, soms met velen tegelijk. In felle kleuren schieten ze over de slingerende paden die als aders door het bos lopen. Voor hen is het een uitdaging, een sport, een moment van vrijheid. Voor ons, de dieren die hier leven, voelt het vaak anders. Op een middag zit ik op mijn vaste uitkijkpost wanneer ik plotseling beweging zie in een struik langs het pad. Het is Haas Henk. Zijn oren schieten overeind nog voordat ik de oorzaak hoor. Dan klinkt het ratelen van fietsen. Een fietsende avonturier komt pratend een bocht om. Henk schrikt. In een flits springt hij uit de dekking en schiet het pad over. Een mountainbiker grijpt naar zijn remmen. Het achterwiel glijdt weg in het zand. Voor een ogenblik lijken mens en dier op hetzelfde punt samen te komen. Net op tijd gaat het goed. Henk bereikt de overkant. De fietser blijft overeind. De stilte keert terug, maar niet helemaal. Aan de rand van het pad blijft Henk stokstijf staan. Zijn flanken gaan snel op en neer. Zelfs vanaf mijn tak zie ik hoe de schrik nog door zijn lijf trekt. Minutenlang beweegt hij niet, alsof hij eerst moet controleren of het gevaar werkelijk voorbij is. Ook de fietser kijkt nog even achterom voordat hij verder rijdt. Niemand raakt gewond. Maar ik weet dat dit niet de eerste keer is. En ik vrees dat het ook niet de laatste keer zal zijn. Ook Ree Roos vertelt regelmatig dat zij haar jongen steeds verder van de paden moet verstoppen. Vos Victor merkt dat sommige dieren hun voedselgebieden vermijden omdat het er te druk is geworden. Zelfs de zangvogels lijken op bepaalde plekken minder vaak te zingen. Natuurlijk begrijp ik de mensen ergens wel. Het bos is mooi. Het geeft rust. Het biedt ruimte om te bewegen en te ontsnappen aan de drukte van steden en wegen. Ik zie hoe mensen genieten wanneer ze door de natuur rijden. Dat is op zichzelf niets verkeerds. Wat mij verbaast, is iets anders. Mensen lijken soms te vergeten dat ze hier te gast zijn. Ze noemen het natuurgebied, maar gedragen zich soms alsof het een sportterrein is. Ze zoeken rust, maar brengen zelf lawaai mee. Ze bewonderen de dieren, maar rijden soms zo snel dat diezelfde dieren moeten vluchten voor hun leven. Vanuit mijn boom vraag ik me dan af: beseffen ze wel hoeveel invloed hun aanwezigheid heeft? Een bos is meer dan een verzameling bomen. Het is een gemeenschap. De specht die zijn nest uitbeitelt. De egel die 's nachts op zoek gaat naar voedsel. De insecten die bloemen bestuiven. De schimmels die de bodem gezond houden. De reeën, vossen, dassen en hazen die hier al generaties lang leven. Alles hangt met elkaar samen. Wanneer de rust verdwijnt, verandert het gedrag van dieren. Wanneer dieren verdwijnen, verandert het evenwicht van het bos. En wanneer het evenwicht verandert, verliest uiteindelijk ook de mens iets waardevols. Op een avond zat ik met Henk de haas naar de ondergaande zon te kijken. "Zou het ooit weer stil worden?" vroeg hij. Ik keek naar de laatste mountainbikers die over het pad verdwenen. "Misschien niet helemaal," antwoordde ik. "Maar misschien kunnen mensen leren dat genieten van de natuur niet altijd sneller, harder of drukker hoeft." Henk knikte. De wind strijkt zacht door de dennen. Even valt alles stil. Niet de afwezigheid van geluid, maar de aanwezigheid van rust. De stilte waarin een uil zijn roep door de schemer draagt, waarin een ree geruisloos door het hoge gras glijdt, en waarin het bos lijkt te ademen op het ritme van de aarde zelf. Dat is de stilte die we willen bewaren. Niet als een herinnering aan wat ooit was, maar als een belofte aan wat nog komt. Want een bos dat alleen wordt genomen, verliest iets van zijn kracht. Een bos dat met aandacht wordt betreden, blijft geven, seizoen na seizoen. Terwijl de avond langzaam over het fluisterende woud neerdaalt en het laatste licht tussen de stammen verdwijnt, groeit de hoop dat meer mensen die kwetsbare balans zien. Dat natuur geen decor is waar we doorheen lopen, maar een levend geheel waarvan we zelf deel uitmaken. Want wie luistert naar de stilte van het bos, hoort meer dan geluiden alleen; die hoort wat behouden moet blijven. foto: Herman van Alfen Midden op de Veluwe ligt de Heidebloemplas. Het water glinstert in de zon en langs de oevers groeien riet, lisdodden en gele bloemen. Op het water drijven grote groene waterleliebladeren. Daartussen bloeien witte en roze waterlelies.
Maar er is iets wat bijna niemand weet. In iedere waterleliebloem woont een klein elfje. Ze zijn niet groter dan een hommel. Hun vleugels schitteren als dauwdruppels in de ochtendzon. Overdag verstoppen ze zich diep tussen de bloemblaadjes. Alleen dieren die goed opletten, zien soms een piepklein gezichtje verschijnen. De elfjes hebben een belangrijke taak. Ze zorgen voor de dieren van de Heidebloemplas. Op een warme zomerdag springt kikker Kees van blad naar blad. Uiteindelijk ploft hij neer op een grote waterlelie. "Wat is het warm vandaag," zucht hij. Meteen steekt elfje Lilibeth haar hoofd uit een bloem. "Dan ben je precies op de goede plek," zegt ze. Kees kijkt om zich heen. Onder de grote bladeren ligt het water in de schaduw. Het voelt er veel koeler dan midden op de plas. "Dat komt door de waterlelies," legt Lilibeth uit. "Hun bladeren houden een deel van de zon tegen. Daardoor blijft het water lekker koel." Onder het blad zwemt een snoek voorbij. "En daardoor groeit er minder alg," zegt hij. "Het water blijft helder en dat is fijn voor iedereen die hier leeft." Kees knikt. Dat klinkt logisch. Even later landt een blauwe libel op een bloem. "Mag ik hier even uitrusten?" vraagt ze. "Natuurlijk," zegt Lilibeth. De libel spreidt haar glanzende vleugels uit. Overal op de Heidebloemplas gebruiken insecten de bladeren als rustplaats. Sommige leggen er zelfs hun eitjes op. Niet veel later komt een jonge eend aangezwommen. Hij kijkt onrustig om zich heen. "Ik ben mijn familie kwijt," piept hij. Lilibeth vliegt meteen omhoog. Uit andere bloemen verschijnen tientallen elfjes. Ze scheren over het water en zoeken tussen het riet. Al snel vinden ze de eendenfamilie aan de andere kant van de plas. De jonge eend kwaakt van blijdschap en zwemt zo snel als hij kan naar zijn moeder. "Bedankt!" roept hij. De elfjes lachen vriendelijk en verdwijnen weer tussen de bloemen. Ondertussen verzamelt een bij nectar uit een waterlelie. Op een andere bloem zit een zweefvlieg. Ze nemen stuifmeel mee van bloem naar bloem. "Ook zij helpen de natuur," vertelt Lilibeth aan een nieuwsgierige kikker. "Zonder bestuivers zouden er veel minder bloemen zijn." Onder water beweegt een salamander voorzichtig tussen de lange stelen van de waterlelies. Daar vindt hij een veilige schuilplaats. Ook jonge visjes verstoppen zich er graag. Tussen de wortels en stelen kunnen grotere roofvissen hen minder makkelijk vinden. Tegen de avond komt een oude schildpad naar een bloem toe. "Vertel eens, Lilibeth," zegt hij. "Waarom leeft er zoveel rond deze plas?" Linde gaat op een bloemblaadje zitten. "Omdat alles met elkaar samenwerkt. De waterlelies geven schaduw. Ze houden het water helder. Hun bloemen voeden insecten. Hun bladeren bieden rustplaatsen. Hun stelen vormen schuilplaatsen onder water. Daardoor kunnen veel dieren hier leven." De schildpad kijkt om zich heen. Hij ziet kikkers op de bladeren zitten, vissen onder het water zwemmen, libellen boven de plas zweven en bijen tussen de bloemen vliegen. "Dan zijn de waterlelies eigenlijk het hart van de Heidebloemplas," zegt hij. Lilibeth glimlacht. "Dat vinden wij ook." Langzaam zakt de zon achter de bomen. De bloemen sluiten zich voor de nacht. De elfjes kruipen diep tussen de bloemblaadjes. Op de bladeren rusten de kikkers. Onder water zoeken de vissen hun slaapplek op. De avondwind strijkt zacht over de Heidebloemplas. En terwijl de eerste sterren verschijnen, waken de kleine elfjes verder over hun waterlelies en over alle dieren die er een thuis vinden. 6/19/2026 1 Comment De eekhoorn met de gouden balFoto: Evert-Jan Hamer Lang geleden, in een groot koninkrijk vol groene bossen en hoge kastelen, woonde een kleine prins. Hij was vriendelijk, maar soms ook een beetje eigenwijs. Op een zonnige middag speelde de prins in het paleistuin met zijn mooiste bezit: een schitterende gouden bal. Hij gooide de bal hoog de lucht in en ving hem telkens weer op. Maar plotseling ging het mis. De bal schoot uit zijn handen, vloog over een struik en bleef vastzitten tussen de hoogste takken van een oude eik. "Oh nee!" riep de prins. "Hoe krijg ik mijn bal ooit terug?" Terwijl hij verdrietig naar boven keek, hoorde hij geritsel tussen de bladeren. Een kleine, roodbruine eekhoorn verscheen op een tak. Haar zwarte oogjes glinsterden nieuwsgierig. "Waarom kijk je zo verdrietig?" vroeg de eekhoorn. "Mijn gouden bal zit vast in de boom," antwoordde de prins. "Ik kan er niet bij." De eekhoorn keek omhoog en glimlachte. "Ik kan hem voor je halen," zei ze. "Maar alleen als je mij daarna een kusje geeft." De prins moest lachen. Een kusje aan een eekhoorn? Dat leek hem wel grappig. "Dat beloof ik," zei hij. Behendig sprong de eekhoorn van tak naar tak. Binnen enkele ogenblikken had ze de gouden bal te pakken. Ze liet hem voorzichtig naar beneden vallen, precies in de armen van de prins.
"Bedankt!" riep hij blij. Maar zodra hij de bal stevig vasthad, draaide hij zich om en rende zo hard hij kon naar het paleis. "Wacht!" riep de eekhoorn. "Je bent je belofte vergeten!" Maar de prins luisterde niet en verdween achter de paleispoort. Die avond zat de prins samen met zijn vader, de koning, aan een rijk gevulde tafel. Er stonden schalen met fruit, brood en gebraden lekkernijen. Plotseling klonk er geklop op de grote deur van de eetzaal. Klop, klop, klop. Een bediende deed open. Tot ieders verbazing stapte daar de kleine eekhoorn naar binnen. "Goedenavond," zei ze beleefd. "Ik ben gekomen voor het kusje dat de prins mij heeft beloofd." De prins werd vuurrood. "Die vieze eekhoorn krijgt helemaal geen kusje!" riep hij. De koning fronste zijn wenkbrauwen. "Is het waar dat je haar een belofte hebt gedaan?" De prins keek naar zijn bord. "Ja, vader." "Dan moet je die belofte nakomen," zei de koning streng. "Een prins houdt zich aan zijn woord." Maar de prins schudde koppig zijn hoofd. De koning dacht even na. "Dan zal de eekhoorn jouw gast zijn totdat je leert je beloften na te komen. Ze eet met ons mee en slaapt vannacht in jouw kamer." De prins vond dit verschrikkelijk. Toch durfde hij zijn vader niet tegen te spreken. Die avond zat de eekhoorn op een zachte stoel in zijn kamer. De prins liep mopperend heen en weer. "Waarom blijf je niet gewoon in het bos?" vroeg hij. "Omdat een belofte een belofte is," antwoordde de eekhoorn rustig. Dagen gingen voorbij. De eekhoorn bleef vriendelijk, behulpzaam en vrolijk. Langzaam begon de prins haar steeds aardiger te vinden. Ze vertelde grappige verhalen over de dieren in het bos en maakte hem vaak aan het lachen. Op een avond keek de prins naar de eekhoorn en zuchtte. "Misschien ben je eigenlijk best aardig." "Dat zeg ik al de hele tijd," lachte de eekhoorn. De prins glimlachte. Toen dacht hij aan zijn belofte. "Goed dan," zei hij. "Je hebt gelijk. Ik heb mijn woord gegeven." Hij boog zich voorover en gaf de eekhoorn een zacht kusje op haar neus. Meteen vulde de kamer zich met een gouden licht. De muren schitterden alsof duizenden sterren tegelijk waren verschenen. De prins sprong achteruit van verbazing. De kleine eekhoorn begon te veranderen. Haar staart verdween, haar pootjes werden handen en voeten, en haar bruine vacht veranderde in een prachtige jurk van goud en zilver. Toen het licht verdween, stond er geen eekhoorn meer. Voor hem stond een bloedmooie prinses. "Wie ben jij?" stamelde de prins. De prinses glimlachte. "Lang geleden werd ik betoverd door een boze tovenares. Overdag moest ik leven als een eekhoorn. Alleen een prins die zijn belofte nakwam en mij uit oprechte vriendschap een kus zou geven, kon de betovering verbreken." De prins keek verbaasd maar blij. "Dan ben ik blij dat ik eindelijk naar je heb geluisterd." De volgende dag vierde het hele koninkrijk feest. De koning was trots op zijn zoon, die had geleerd hoe belangrijk eerlijkheid en trouw aan je woord zijn. En de prins en de prinses werden de beste vrienden van de wereld. Samen speelden ze vaak met de gouden bal in de paleistuin, maar deze keer zorgden ze ervoor dat hij nooit meer in een boom terechtkwam. En ze leefden nog lang en gelukkig. |
AuthorMijn naam is Jacqueline Postma, ik vertel graag verhalen, verhalen met een boodschap, een moraal. Archives
Juni 2026
|





RSS-feed